Waar de werkelijkheid begint, waar het toeval wellicht eindigt (iedereen wil de lotto winnen, dus daar worden zoveel krachten op 'de werkelijkheid' uitgeoefend dat je 'bij toeval' wint), daar ligt de doorsnede tussen het individu en het collectief. Dat is de 'DataLens'. Daar ligt de interface tussen de gemeenschap en jezelf, tussen fantasie en empirie, &c.

Maar dat is wel op iedere onlosmakelijke combinatie van moment (tijd) en [deel]onderwerp (plaats) een andere interface, een anders gefacetteerd raakvlak, een andere doorsnede. Die facettering wordt gedefinieerd door de hoogte of diepte (=negatieve hoogte) van de punten die samen het vlak vormen waarin de twee trechters elkaar snijden. Die doorsnede is dynamisch omdat de coördinaten van ieder punt op het vlak iedere picoseconde met iedere nieuwe [sub]indruk veranderen. Deze punten kunnen dan beschouwd worden als de 'atomen', de kleinste bouwstenen, waarin ervaring (en daarmee de werkelijkheid) te ontleden valt.

Dat bedoel ik dus met een fractaal labyrinth; de DataLens heeft dus een fractaal brandpunt in een constant veranderende combinatie van plaats en tijd. Dat bedoel ik dus met het stollen van de chaos–stroom en daaruitvoortvloeiend de unieke visie van een gids. Als ieder individu vervolgens beschouwd wordt als zijn eigen gids dan is heuristiek de verzameling van de doorsneden die hij vanaf zijn geboorte gemaakt heeft.

We moeten echter niet vergeten dat het hier, zowel bij de bron (het individu; de mens is immers de maatstaf der dingen) als bij de 'uitlaat' (het collectief; de maatstaf der maatstaf), gaat om een asymptotische limiet. Met andere woorden, de beide uiteinden van beide trechters naderen tot nul (respectievelijk tot oneindig), maar bereiken dit nooit.

Het hierboven terloops aangeduide atoom is dus vooralsnog niet te definiëren, behalve in kleinere termen van zichzelf. Alsof ik Legosteentjes in stukken zaag, omdat het gebouw dat ik wil bouwen niet met de verkrijgbare (gedefinieerde) Legostenen te maken is. Aan de andere kant ben ik, zelfs met mijn nieuwe Legosteentjes, nooit uitgebouwd; het gebouw bereikt nimmer zijn ultieme vorm.

Met andere woorden: er is altijd een kleinere tijdseenheid dan een picoseconde en een indruk bestaat immer uit meerdere indrukken. (Dat riekt verdacht veel naar Zeno's paradox: als we de schildpad een zekere voorsprong geven zal het verschil tussen hem en Achilles weliswaar steeds kleiner worden, maar inhalen doet hij hem nooit.)

Zoals uit de tekening echter blijkt wil het individu altijd meer dan de gemeenschap veroorlooft; beide 'trechters' lopen door, anders was er ook geen sprake geweest (kon er ook geen sprake zijn) van een snij– of raakvlak.

De ene asymptotische limiet vertegenwoordigd de fantasie van het individu, terwijl de andere staat voor de taboes en het 'not done' van de gemeenschap. De sociale controle, de wetgeving, de uiteindelijke algemene neerslag van de fantasie van het individu, de consensus over wat 'waar' is. De werkelijkheid. Datgene waar iedereen het over eens is dat het bestaat, concreet of abstract, gereedschap of overtuiging.

Uit dit schema kunnen we overigens ook afleiden hoe de gebruiker met zijn interface omgaat en waarom deze intuïtief moet zijn. En waarom dus de meeste interfaces (cq programma's) niet deugen.

Maar dan zijn we er nog steeds niet uit wat nu werkelijkheid is: een invariabele, van buitenaf aangeboden verzameling van constanten die ook bestaan als ze niet gemeten worden, of een hersenschim van de toeschouwer, van de observator, van deze verschijnselen. Een werkelijkheid die dus ontstaat uit de metingen die wij eraan verrichten door experimenten uit te voeren.

Laten we gemakshalve even uitgaan van de tweede mogelijkheid, al was het alleen maar omdat deze de kans biedt tot intrigerender theorieën. Als de werkelijkheid inderdaad in het hoofd van de observator geschapen wordt, hoe kan het dan dat ik mijn glas op de tafel kan zetten en op een stoel kan gaan zitten? Een mogelijk en voor de hand liggend antwoord is dat deze voorwerpen tastbaar zijn, zodat iedereen het er over eens kan zijn dat ze bestaan. Het zijn concrete voorwerpen.

Anders ligt het met abstracte ideeën. Als een idee in mijn hoofd post vat, weet niemand daar iets van totdat ik de moeite neem om het kenbaar te maken (door het uit te spreken, op te schrijven, &c.) in termen die eenduidig en begrijpelijk zijn. Een idee is dus pas werkelijk als het gereflecteerd wordt door een toehoorder, iemand anders dan ik, iets of iemand buiten mij. Met andere woorden: als ik een telefoon ben, rinkel ik dan ook als er niemand is om mij te horen? Waarschijnlijk niet.

Nu zijn er een groot aantal abstracte ideeën en concrete voorwerpen die gemeengoed zijn. Als ik over een tafel praat, weet iedereen wat ik bedoel. Hetzelfde geldt voor een stoel of een glas. Ook abstracte concepten als schuld, boete, pijn, plezier en andere emoties en logische begrippen worden door iedereen gedeeld. Een voorlopige conclusie is dan ook dat de werkelijkheid kennelijk een door de gehele mensheid gedeelde hersenschim is, een consensus.

Daar valt als eerste conclusie uit te trekken dat als ik maar 'hard' genoeg denk de werkelijkheid te beïvloeden valt. Denk bijvoorbeeld aan de studie naar de bouwstenen van de materie: iedere keer als een deeltje uit elkaar spat in zijn samenstellende delen treden er verschijnselen op die met de gangbare theorieën niet verklaard kunnen worden. Op grond van de observering van de gedragingen van de bekende bouwstenen stellen de hh. geleerden een theorie op die de waargenomen verschijnselen slechts dan volledig verklaard als er een nieuw deeltje gepostuleerd wordt. Men ontwerpt een experiment dat het bestaan van het gepostuleerde deeltje moet bewijzen, et voilá, daar is ons nieuwe deeltje. De vraag is dan natuurlijk of het experiment het bestaan van dat deeltje bevestigd of dat de meting het nieuwe deeltje schept.

Als de veronderstelling dat de meting het deeltje schept tot zijn logische einde wordt gevolgd, dan kan het 'bestaan' van concrete voorwerpen verklaard worden uit de behoefte van iedere mens aan tafels en stoelen (en andere samengestelde voorwerpen als auto's en vliegtuigen, natuurlijk). De gerichte gedachten, het vurige (onbewuste) verlangen naar dergelijke dingen roept ze in het leven. Ga nog een stap verder en de mens die deze gedachten ontvouwt (in casu de auteur van dit stuk) is een product van zijn eigen verbeelding en die van alle andere levende wezens op deze planeet. Waarschijnlijk zelfs in dit heelal. De werkelijkheid begint waar je 'm verzint.

Voortgaande op dezelfde voet kan toeval dan gedefinieerd worden als het ontbreken van gerichte gedachten. Doordat niet iedereen zich op hetzelfde concentreert ontstaat er een soort deterministisch vacuüm waarin de loop der dingen nu eens een duwtje hier krijgt, dan weer een duwtje daar. Het resultaat wordt dan door ons geïnterpreteerd als toeval.